Grenzen aan de solidariteit?

Frans Meulenberg interviewt Cor Oosterwijk, Leo Ottes, Jan Anne Roukema en Margo Trappenburg

Wij geven steeds meer geld uit aan zorg. Als we dat op dezelfde manier blijven betalen als nu, zullen mensen met hoge inkomens meer gaan betalen voor mensen met lage inkomens, dragen gezonden meer bij aan de zorg voor (chronisch) zieken en gaan jongeren meer betalen voor de ouderen in de samenleving. De vraag is of we dat willen. Hoe ver gaat de solidariteit van gezonde mensen met zieken of van minder zieken met zeer ernstig zieken? Hebben de ernstig zieken recht op meer zorguitgaven omdat ze geen alternatief hebben? Heeft iemand die rookt, drinkt, slecht eet en alles doet dat God verboden heeft minder recht op zorg dan de brave, gezond levende Hendrik? Kunnen we het mensen kwalijk nemen als ze (financieel) weinig keuzes hebben en geen weerstand kunnen bieden aan de verleidingen van de reclame voor fast food, fast cars en fast life? Welke rol spelen zorgverzekeraars daarin?

Inleiding

Vrijwel iedereen neemt deel aan allerlei verbanden die zijn gebaseerd op ‘belangensolidariteit’, regelingen die mensen treffen omdat en voor zover zij dezelfde belangen hebben. Binnen de gezondheidszorg echter is deze vorm van belangensolidariteit veel te beperkt. Het gaat daarbij juist om solidariteit met mensen die geheel andere belangen hebben. Mensen die in ellendige situaties verkeren, met wie men geen directe binding heeft. Die solidariteit wordt gevoed door de gedachte dat een ellendige situatie ook jezelf kan overkomen, en dat jij in die situatie dan ook rekent op hulp. Tot hoe ver die solidariteit reikt, is voor iedereen verschillend. Zeker als de eigen verantwoordelijkheid in het geding is, of als het om hele dure behandelingen gaat. Of om een ander voorbeeld te geven: hoe solidair moet je zijn met mensen die geen vaccinaties nemen of die niet meedoen aan bevolkingsonderzoek? Dat ‘recht’ heeft een mens nu eenmaal. Zodoende ontstaat er druk op solidariteit en de grenzen ervan. De drang tot kostenbeheersing in de gezondheidszorg is daarmee primair een solidariteitsvraagstuk.

Solidariteit, of ieder mens voor zichzelf?

Solidariteit, of ieder mens voor zichzelf?

‘Solidariteit is ethisch gezien een logisch uitgangspunt. Stel de een heeft drie gezonde dochters en de ander krijgt een gehandicapt kind. Dan ligt het voor de hand en is het fair dat we voor elkaar opkomen,’ aldus Margo Trappenburg. Zij is bijzonder hoogleraar Grondslagen van het Maatschappelijk Werk aan de Universiteit voor Humanistiek, en daarnaast hoofddocent Bestuurs- en Organisatiewetenschap aan de Universiteit Utrecht.

Dr. Cor Oosterwijk is directeur van de VSOP, een samenwerkingsverband van ongeveer 70 patiëntenorganisaties. De meeste daarvan richten zich op zeldzame en genetische aandoeningen.

Waarom is solidariteit belangrijk?
‘Als samenleving hebben we een maatschappelijk belang bij een gezonde populatie. Naast menselijke en ethische redenen, is dat een zakelijke reden voor solidariteit. Zonder solidariteit verliest de maatschappij haar samenhang.’

Hij ervaart in de praktijk dat die solidariteit er nog steeds is: ‘We hebben het nodige over voor de gezondheid van anderen, misschien behalve als het gezondheidsverlies hun eigen schuld is. Die solidariteit zie je bijvoorbeeld als het kinderen met kanker betreft, of mensen met ernstige zeldzame aandoeningen.’ Een keerzijde ervaart hij ook: ‘Bij de keuze voor een zorgverzekeraar kiezen we toch voor de goedkoopste polis. We vergeten daarbij dat die solidariteit betaald moet worden uit die pot verzekeringsgelden.’

Mensen met een lagere opleiding gaan jaren eerder doodProf. dr. Jan Anne Roukema is als chirurg verbonden aan het Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis in Tilburg en is daarnaast hoogleraar ‘Kwaliteit van leven’ aan Tilburg University. Voor hem is solidariteit een papieren uitvinding: ‘Toen het ons in Nederland zo voor de wind ging, hebben we een sociaal stelsel bedacht waar heel de wereld jaloers op was. Daar heeft de regering en het parlement de naam “solidariteit” opgeplakt… “Solidariteit” leeft ook niet echt onder de bevolking, want ieder mens denkt uiteindelijk alleen maar aan zichzelf. Dat durf ik wel te zeggen, na veertig jaar werken in de zorg.’ Roukema is een nuchtere denker en doener: ‘Een ander voorbeeld: de zogeheten “participatiesamenleving”. Dat heeft niets te maken met solidariteit, dat is louter het afschuiven van verantwoordelijkheden. Men draait om de hete brij heen.’

Leo Ottes is arts en werkt als senior adviseur bij de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RV&S), voorheen Raad voor de Volksgezondheid en Zorg (RVZ). Hij waarschuwt: ‘Met de inwerkingtreding van de Zorgverzekeringswet is de solidariteit wettelijk gewaarborgd. Echter, de zorgkosten blijven stijgen – zij het in iets minder stijgende lijn – en dan komt solidariteit weer onder druk te staan.’

We zijn minder solidair met verstokte rokers.

We zijn minder solidair met verstokte rokers.

Staat solidariteit nu al onder druk?
Trappenburg: ‘De Zorgverzekeringswet heeft er mede toe geleid dat mensen hun zorgpolis steeds meer zijn gaan zien als een polis voor hun eigen zorgvoorziening. Dit werd versterkt door reclamespots van verzekeraars met jonge mensen die zeggen niet te begrijpen waarom ze zouden moeten bijdragen aan de zorg van anderen. Het systeem van de Zorgverzekeringswet lijkt er langzaam aan vanuit te gaan dat je zorg koopt voor jezelf, op basis van jouw eigen ingeschatte zorgbehoefte. In plaats van dat we een zorgverzekering afsluiten met elkaar en voor elkaar, in de hoop dat we die zelf zo min mogelijk nodig hebben. Daar staat tegenover dat de overheid anderzijds juist solidariteit eist, in het kader van de “participatiesamenleving”, bijvoorbeeld via mantelzorg.’

Leefstijl

Hoe zit het met de solidariteit met mensen die er een ongezonde leefstijl op na houden?
Oosterwijk: ‘Ik constateer dat we minder solidair zijn met bijvoorbeeld chronische rokers. Het is ethisch gezien een lastige materie. Ik vind het daarom een goede zaak dat zorgverzekeraars zich meer inzetten voor het stimuleren van gezond gedrag dan op het straffen van een ongezonde leefstijl.’ Roukema countert de opmerking: ‘Solidariteit staat niet meer onder druk dan vroeger. Maar het is mogelijk dat die druk de komende jaren wordt opgevoerd. Ik hoor wel eens geluiden dat een stevige roker een hogere ziektekostenpremie zou moeten betalen, vanwege diens ongezonde leefstijl. Zo iemand houd ik dan voor dat deze roker via accijnzen de belastingkist spekt en bovendien zo “vriendelijk” is om minstens tien jaar eerder te overlijden. Daarmee voorkomend dat allerlei ouderdomskwalen optreden annex dure behandelingen, die nodig zijn aan het eind van het leven.’

Toegang tot zorg wordt ook bepaald door sociaal­economische status.

Toegang tot zorg wordt ook bepaald door sociaal­economische status.

Trappenburg wil eerst een misverstand rechtzetten: ‘Er wordt de laatste tijd nogal eens gesuggereerd dat hoger opgeleiden met een gezonde levensstijl opdraaien voor de zorgkosten van lager opgeleiden met een ongezonde levensstijl. Dat is maar beperkt waar. Mensen met een lagere opleiding gaan jaren eerder dood.’

Hoe verwijtbaar is die slechte leefstijl?
‘Die vraag gaat terug naar de tijd van de Commissie-Dunning. De overwegingen in het rapport van die commissie zijn eigenlijk nog steeds geldig. Leefstijl is slechts in beperkte mate een bewuste, individuele keuze, want deze wordt vooral beïnvloed door cultuur, sociale omgeving, opvoeding et cetera. Iemand is dus hooguit deels verantwoordelijk voor die keus.’

Je leefstijl wordt in hoge mate beïnvloed door je sociale omgeving en opvoeding.

Je leefstijl wordt in hoge mate beïnvloed door je sociale omgeving en opvoeding.

‘Daar wil ik wel het volgende bij aantekenen: Als mensen ongelooflijk veel pech hebben in het leven – trauma’s hebben ervaren, binnen de psychiatrie terechtkomen – en vervolgens via het roken proberen hun leven hanteerbaar te krijgen, hoe erg is dat? Bovendien is er sprake van “selectieve verontwaardiging”. De roker brengt in principe alleen zichzelf schade toe, de risico’s van meeroken zijn beperkt. Neem daarentegen veel drinken, dat leidt tot veel grotere schade aan anderen zoals kindermishandeling en ongelukken. Toch wordt er veel meer gezeurd over roken.’

De commissie Dunning introduceerde een trechtermodel, de zogenoemde trechter van Dunning, om beslissingen over het vergoeden van behandelingen en zorg door de overheid achtereenvolgens te toetsen op noodzakelijkheid, werkzaamheid, doelmatigheid en op de vraag of de patiënt bereid is het zelf te betalen.

De commissie Dunning introduceerde een trechtermodel, de zogenoemde trechter van Dunning, om beslissingen over het vergoeden van behandelingen en zorg door de overheid achtereenvolgens te toetsen op noodzakelijkheid, werkzaamheid, doelmatigheid en op de vraag of de patiënt bereid is het zelf te betalen.

Opnieuw sluit Ottes hierbij aan: ‘Hoe ver is iemand verantwoordelijk voor zijn eigen keuzes? In welke mate zijn die keuzes bepaald door vrije wil? En bestaat die vrije wil eigenlijk wel? Die vragen leven al decennia, maar gebaseerd op onderzoek, vooral uit neurowetenschappelijke hoek, lijkt het steeds aannemelijker dat die vrije wil beperkter is dan we jaren geleden dachten.’De commissie Dunning introduceerde een trechtermodel, de zogenoemde trechter van Dunning, om beslissingen over het vergoeden van behandelingen en zorg door de overheid achtereenvolgens te toetsen op noodzakelijkheid, werkzaamheid, doelmatigheid en op de vraag of de patiënt bereid is het zelf te betalen.

Kijkend naar een uitzonderingspositie, hoe ervaren mensen met bijzondere aandoeningen dit alles?
Oosterwijk: ‘De mens draagt een evolutionaire imprint mee: alles wat vreemd is, boezemt angst in. Dat verklaart waarom mensen die anders zijn, zoals mensen met een verstandelijke beperking, vroeger werden weggestopt, uit het zicht gehouden. In Nederland zijn we wat dat betreft inmiddels een stuk verder: er heeft een emancipatie plaatsgevonden en mensen met een bijzondere aandoening zijn en voelen zich gelijkwaardig. Men komt letterlijk vaak in beeld, ook in de media, er is dus veel minder koudwatervrees dan voorheen.’

Hij trekt de kwestie ook breder, naar het belang van het patiëntenperspectief: ‘Meer en meer wordt onderkend dat het patiëntenperspectief voor beleid en onderzoek een grote meerwaarde heeft. Uiteraard weet ik heus wel dat dit voor een deel “politiek correct denken” kan zijn, maar patiënten zijn niet zo naïef dat we daar niet doorheen prikken.’

De zorg: hoeveel extra is het ons waard?

Deze tekst is gebaseerd op een rapport van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uit 2012.

Wat kan er uit het pakket? Er wordt regelmatig voorgesteld de volgende zaken uit het zorgpakket te halen:

• Zaken die je makkelijk zelf kan betalen omdat de kosten erg laag zijn (paracetamol bijvoorbeeld zit niet in het zorgpakket en koop je tegen een klein bedrag bij de drogist).
• Zaken die bij het leven horen. Dit zijn voorzieningen die bijna iedereen op termijn nodig heeft en waarvan je dus van tevoren weet dat je het waarschijnlijk nodig zal hebben. Hier kan je dus bijvoorbeeld voor sparen. Voor de ouderenzorg bijvoorbeeld, of een rollator: een klein kind heeft een driewieler, een volwassene een fiets en een oudere een rollator.
• Zorg die andere uitgaven vervangt. Als je een aangepaste stoel hebt, heb je bijvoorbeeld geen gewone stoel meer nodig.
• Niet bewezen effectieve zorg. Als we niet weten of iets helpt, moeten we het dan vergoeden?
• Niet medisch noodzakelijke zorg. Daarom vergoeden we erectiemiddelen bijvoorbeeld niet.
• Niet-kosteneffectieve zorg. De kosten zijn zo ontzettend hoog, dat dit niet opweegt tegen de voordelen die de zorg oplevert. Dit geldt bijvoorbeeld voor heel dure kankerbehandelingen die het leven nauwelijks verlengen.

Niet alles wat kan, hoeft

Op 5 maart 2015 verscheen het KNMG-rapport ‘Passende zorg in de laatste levensfase: niet alles wat kan, hoeft’. De vragen die in dit rapport aan de orde komen, hebben vooral betrekking op ‘curatief overbehandelen’. Bijvoorbeeld: wanneer houdt medisch ingrijpen op zinvol te zijn? Bij curatief overbehandelen gaat het om ziektegerichte behandelingen die op genezing of levensverlenging zijn gericht, maar die in hun uitwerking onwenselijk zijn. Denk bijvoorbeeld aan agressieve of anderszins belastende behandelingen, of vormen van diagnostiek die de kwaliteit van leven verminderen.

Een belangrijke reden voor de opstellers van het rapport om zich te concentreren op het ‘curatief overbehandelen’ was dat er in Nederland al relatief veel aandacht is voor verbeteringen op het gebied van ‘palliatief onderbehandelen’. ‘Palliatief onderbehandelen’ betekent dat patiënten in de laatste levensfase onvoldoende palliatieve zorg krijgen. Hieronder vallen pijn- en symptoombestrijding en aandacht voor andere noden en wensen van de patiënt en diens naasten in deze fase. Overigens kunnen ‘curatief overbehandelen’ en ‘palliatief onderbehandelen’ de keerzijden zijn van hetzelfde muntstuk: hulpverleners richten zich te weinig op de patiënt en te veel op zijn ziekte.

Al met al een mooi evenwichtig rapport met de centrale vraag of patiënten en zorgverleners voldoende stilstaan bij het feit dat er in het leven van de patiënt een fase nadert waarbij zij moeten overdenken en bespreken of de huidige en toekomstige ‘curatieve’ behandelingen nog wel wenselijk en realistisch zijn. En dan gaat het niet alleen om behandeling zelf, maar ook om (invasieve) diagnostiek. Bij het naderen van deze fase is het van belang om te bespreken of zo’n (volgende) behandeling nog ingezet of gecontinueerd zal worden en welk doel men daarmee beoogt. Hierbij kan het gaan om één beslissing op één moment, of om meerdere beslissingen op achtereenvolgende momenten, tot in de allerlaatste dagen van het leven. Hoewel er zo meer nadruk ligt op behandeling dan op zorg, geldt deze benadering net zo goed voor verzorging, verpleging en begeleiding.

Bovengrens

De grenzen van solidariteit komen nadrukkelijk in beeld bij de vraag: ‘Wat mag een mensenleven kosten?’ Ottes werkte mee aan het spraakmakende rapport ‘Zinnige en duurzame zorg: transparante keuzes in de zorg voor een houdbaar zorgstelsel’ uit 2006.

‘Het denken over zinnige zorg begon in de jaren tachtig van de vorige eeuw. De zorgkosten bleven stijgen, daar moest een deksel op. Dat deksel heette budgettering. De Commissie-Dunning introduceerde een trechtermodel als middel om besluiten te nemen over wel of niet vergoeden vanuit de collectieve zorgverzekering. Dat was echter een conceptueel model, want waar concreet de grens tussen bijvoorbeeld doelmatige en ondoelmatige zorg lag, werd niet aangegeven. Dat moest handen en voeten krijgen, en dus ging de RVZ aan de slag. Rond 2000 begonnen de discussies steeds concreter te worden, en zes jaar later verscheen het rapport.’

Minzaam: ‘Je kunt wel stellen dat het rapport nogal wat stof deed opwaaien…’ Hij licht toe: ‘Met die bovengrens van € 80.000 per gewonnen levensjaar c.q. QALY wilden we een indicatie geven voor de politiek om de discussie te starten. Het bedrag kwam tot stand door naar het buitenland te kijken (onder andere Engeland), de WHO, als ook naar levensverzekeringen.’ Kijkend naar de felheid van de gevoerde debatten, zegt hij berustend: ‘In een debat tussen rationaliteit en emotie, winnen de emoties. Altijd.’

Een felle afwijzing van die bovengrens komt van Roukema: ‘Ik zou mij doodschamen als de prijs van een mensenleven ter sprake zou komen in mijn spreekkamer. Het is ronduit schandalig dat die discussie wordt gevoerd en dat men een prijskaartje hangt aan iemands leven. We leven in een kapitalistische samenleving die alles vertaalt in geld. Maar hoe valt te verklaren – laat staan uit te leggen – dat een extra levensjaar in Engeland maximaal € 30.000 mag kosten, en in dit land € 80.000?’
Hij krijgt steun van Oosterwijk: ‘Ooit ben ik door een ethiekcommissie van een universitair medisch centrum uitgenodigd om mee te denken op welke manier het onderwerp “kosten van een mensenleven” wel degelijk kan gaan leven in de spreekkamer. Dus hoe de patiënt zo goed te informeren dat hij zijn eigen, persoonlijke afweging kan maken, ook wat dit explosieve thema betreft. Ik heb in dat gesprek aangegeven dat ik er geen voorstander van ben om deze discussie in de spreekkamer te voeren. Dat debat moet eerst en vooral plaatsvinden op maatschappelijk niveau.’

Volgens Oosterwijk is de vraagstelling foutief: ‘Het is jammer dat die vraag “boven de markt” hangt, want het is de verkeerde vraag om deze discussie te starten. Hoe die vraag dan zou moeten luiden? ‘Hoe kunnen we het academisch en farmaceutisch onderzoek zo inrichten dat alle nieuwe wetenschappelijke kennis daadwerkelijk kan resulteren in betaalbare behandelingsmogelijkheden?’

Wat betekent een extra levensjaar op deze momenten in je leven?

Wat betekent een extra levensjaar op deze momenten in je leven?

Trappenburg wijst op het recht van weerwoord: ‘Wil men een slechte leefstijl serieus aanpakken, dan ontkom je niet aan een juridische procedure. Want zo iemand heeft recht op een weerwoord, om uit te leggen wat de oorzaken waren voor dit gedrag. En dan wordt het een heel moeilijk verhaal. Daarom vind ik het veel beter om solidair te zijn, tolerant te blijven en te proberen die mensen te helpen.’

Toekomst

Trappenburg: ‘Ik vind het geen goed idee om een algemene grens te stellen van maximaal zoveel euro per gewonnen levensjaar. Ik zou er eerder voor kiezen om per patiënt, en samen met die patiënt, uit te zoeken wat deze precies wil, dan een absoluut maximum op te stellen dat voor iedereen geldt. Een extra levensjaar voor iemand van 80 vind ik echt iets anders dan een extra jaar voor iemand van 25 of 45.’

Hoe ziet de toekomst eruit?

Voor kostenbeheersing zet Roukema liever in op iets anders: kwaliteit van leven. ‘Als beroepsgroep moeten we ons vooral afvragen: Hoe ver gaan we met behandelen? Wat voegt een succesvolle behandeling toe en wat is het effect op de kwaliteit van leven? En ten koste van welke bijwerkingen bereiken we dat succes? Wij waren gewend om vrijwel alle patiënten met galstenen te opereren. Recent hebben wij bij een grote groep patiënten twee jaar na operatie gekeken hoeveel mensen nog last hebben. Toen bleek dat maar de helft van de mensen echt geholpen is. Dáár ligt onze taak: het zorgvuldig voorselecteren van juist die groep mensen die echt baat heeft bij een operatie of een behandeling met medicijnen.’

‘Over de toekomst durf ik geen uitspraak te doen’, aldus Ottes. ‘De politiek lijkt geen grens te willen stellen, en laat het bij de vaststelling van een macrokader. Als de politici het niet aandurven, wiens taak is het dan? Is het aan de verzekeraars of de zorgverleners? Of gaat het net als in de jaren tachtig en maken we geen keuze? Dan ontstaan weer de klassieke wachtlijsten.’ Die verwachting lijkt juist, want het zal ergens gaan wringen, in de ouderenzorg, de gehandicaptenzorg, de oncologie of waar dan ook. Ergens raakt het budget op en dan moet men wachten totdat men ervoor in aanmerking komt.

Ottes verwijst in zijn slotwoorden fijntjes naar het Rijksvaccinatieprogramma. ‘Daar hanteert men wel een harde bovengrens, namelijk van € 20.000 per QALY. Het heeft vier jaar geduurd voordat men ging inenten tegen pneumokokken. Het was gewoon te duur. Pas in 2006 werd dit opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma, maar toen waren dus al enkele tientallen kinderen overleden aan een pneumokokkeninfectie, wat door vaccinatie voorkomen had kunnen worden.’

‘Leven mens niet waardevoller dan dier’

Nederlands Dagblad

Op 6 juli 2012 werd in het Nederlands Dagblad de Australische filosoof en ethicus Peter Singer geïnterviewd. Singer verzet zich tegen dierenleed. In 1975 schreef hij het boek Animal liberation. Sindsdien staat hij te boek als geestelijk vader van de dierenrechtenbeweging. Singer behoort tot de ethische stroming van het ‘voorkeursutilisme’ en werkt die filosofie consequent uit.

In het boek Animal liberation (1975) komt Peter Singer op voor de rechten van dieren. Handelingen zijn goed als ze ervoor zorgen dat zoveel mogelijk levende wezens een zo hoog mogelijke mate van geluk kunnen bereiken. Singer maakt daarbij geen onderscheid tussen mensen en dieren. Mensen hebben volgens hem geen speciale morele status ten opzichte van dieren.

In het boek Animal liberation (1975) komt Peter Singer op voor de rechten van dieren.

In het boek Animal liberation (1975) komt Peter Singer op voor de rechten van dieren.

Zijn opvattingen zijn omstreden. ‘Ik kijk naar de kwaliteit van leven. Een gelukkige, gezonde hond zou je volgens mij niet mogen doden. Maar bij een kind dat wordt geboren met een zeer ernstige aandoening, ligt dat anders. Ik zeg niet dat een hond meer waard is dan een pasgeboren kind. In beide gevallen moet je op de meest humane manier met ze omgaan. Wel verzet ik mij tegen de opvatting dat een menselijk wezen een absoluut recht op leven heeft, terwijl een dier dat niet zou hebben. De waarde hangt niet af van de soort waartoe je behoort, maar van de kwaliteit van leven. Voor die hond heeft het leven een positieve waarde, voor dat kind zal het leven geen waarde hebben of enkel een negatieve waarde. Ik kijk niet naar de soort op zich, maar naar categorieën als bewustzijn, de mogelijkheid om vreugde te ervaren of pijn te voelen. De ouders hebben een belangrijke stem in de beslissing of het leven van een baby waarde heeft, maar ook de dokters die inzicht hebben in de mogelijkheden van behandeling. Als ouders en dokters het erover eens worden, is beëindiging van het leven meestal de goede beslissing.’

Het ebola-hondje Bentley in quarantaine.

Het ebola-hondje Bentley in quarantaine.

Nabrander

In oktober 2014 raakte de Amerikaanse verpleegkundige Nina Pham besmet met ebola. Op haar verzoek werd ook haar hondje Bentley in quarantaine genomen. Na een paar weken bleek ze de ziekte te hebben overleefd. Haar hondje Bentley raakte niet besmet en haalde ze later uit quarantaine. De viervoeter kreeg veel aandacht nadat in Spanje een hond van een andere patiënte met ebola wel was gedood. Volgens de media kostte de quarantainebehandeling van Pham en Bentley in totaal 155.000 dollar, zo’n € 125.000, waarvan € 21.000 voor het ‘Ebolahondje’. Giften dekten grotendeels de kosten voor het hondje. De rest kwam voor rekening van gemeentelijke instellingen. De stad Dallas hoopte dat de staat Texas zou meebetalen.

Ebola

The Independent

De landen waar ebola in 2014 alle hevigheid uitbrak, met name Sierra Leone, Liberia en Nigeria, tellen rond de tienduizend doden. De beelden zijn hartverscheurend: te weinig plekken om patiënten te verzorgen, en degenen die verzorgd worden in ziekenhuizen, worden door hulpverleners in beschermende pakken geholpen; vaak zijn ze ten dode opgeschreven. Overleden patiënten moeten veilig begraven worden, vaak tegen de gangbare afscheidsrituelen in. Overleden patiënten in straten: niemand wil ze aanraken, dus ook niet begraven.
Een ontmenselijkende ziekte waar nog geen behandeling voor is. Aan de ontwikkeling van een vaccin werd tot nu toe jarenlang geen prioriteit gegeven, maar nu ook de westerse wereld ermee te maken krijgt, komen de gelden hiervoor eindelijk los. De cartoon illustreert het pijnlijk. Zeker nadat hulpverleners die besmet waren op isoleerafdelingen werden behandeld voor de complicaties, terwijl de Afrikaanse bevolking nog steeds aan zijn lot werd overgelaten.

Pas toen ebola ook de westerse wereld ging raken, werd er echt aandacht aan geschonken.

Pas toen ebola ook de westerse wereld ging raken, werd er echt aandacht aan geschonken.

De vraag ‘wat is een mensenleven waard’ wordt in de context van een uitbraak van ebola ineens heel schrijnend. Want is een Afrikaan minder waard dan een westerling? Is een hulpverlener meer waard dan een patiënt? En is deze ziekte tot 2014 teveel genegeerd (en daarmee ook eerdere patiënten?). Wat is het ons waard om ziekte te voorkomen en te behandelen? Of komen we pas in beweging als we ook zelf bedreigd worden? Het zijn gewetensvragen geworden bij ebola.

Nadere informatie

Reageer

Reacties