Stoppen met behandelen

Lia van Zuylen

De discussie over de kosten van een mensenleven is een studeerkamerdebat en vindt niet plaats in de spreekkamer van Nederlandse medisch specialisten. In die spreekkamer spreken we nooit direct met patiënten over de kosten van een behandeling. De arts-patiëntrelatie draait heel concreet om een andere vraag: Wat is er beschikbaar en geschikt voor deze patiënt? Daaraan gekoppeld de vervolgvraag: Wat draagt de behandeling bij aan de kwaliteit van leven? In het zoeken naar een antwoord op die vragen, kunnen we in Nederland terecht bij redelijke, sterke richtlijnen die een goede gids zijn om te bepalen wat we wel of niet moeten en kunnen doen.

In die richtlijnen – en in de dagelijkse zorgpraktijk – duikt steeds dezelfde leidraad op: Is dit een zinvolle interventie? De criteria die hieraan ten grondslag liggen, zijn wetenschappelijke criteria gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en criteria die we met zijn allen als maatschappij bepalen.

Hier wil ik twee kanttekeningen bij plaatsen. Allereerst zouden we moeten willen dat ‘de maatschappij’ duidelijker mee bepaalt. Helaas bestaat er in de politiek grote huiver inzake deze complexe materie. Politieke huiver die alles te maken heeft met dreigend stemmenverlies bij impopulaire standpunten. Daarbij doemt wel een spanningsveld op. Als politiek en maatschappij samen de kaders voor het handelen van artsen bepalen, bestaat er kans dat de knowhow van de artsen, in het bijzonder de medisch specialisten, buitenspel komt te staan.

Mijn boodschap zou zijn: geef de brede kaders aan als ‘maatschappij’ en laat de specialisten bepalen hoe het beleid in detail eruitziet en schenk hen ook het vertrouwen dat ze dit weloverwogen en goed doen. Daarbij vraag ik begrip voor de vaak lastige situaties die medisch specialisten moeten oplossen. In de spreekkamer van het ziekenhuis, daar ligt tenslotte de frontlijn.

Voorbeelden uit de praktijk

Laat ik enkele praktijkvoorbeelden geven. Neem de behandeling van het melanoom, de agressiefste vorm van huidkanker. De nieuwe medicatie voor mensen met een uitgezaaid melanoom is duur, maar degenen bij wie de medicatie aanslaat, winnen fors aan levensduur en kwaliteit. De criteria voor wie die behandeling krijgen, worden zo scherp mogelijk bepaald op grond van wetenschappelijke gegevens. Als iemand daaraan voldoet, zou er geen discussie meer moeten zijn of iemand behandeld kan worden en moeten de kosten gedragen worden.

Een melanoom (huidkanker) op een vinger. Bij een onrustige moedervlek doet men er verstandig aan de huisarts / dermatoloog te raadplegen. Nieuwe behandelingen van kanker zijn bij sommige groepen patiënten zeer succesvol, maar wanneer besluit je om te stoppen met behandelen als genezing uitblijft?

Een melanoom (huidkanker) op een vinger. Bij een onrustige moedervlek doet men er verstandig aan de huisarts / dermatoloog te raadplegen. Nieuwe behandelingen van kanker zijn bij sommige groepen patiënten zeer succesvol, maar wanneer besluit je om te stoppen met behandelen als genezing uitblijft?

Een ander praktijkvoorbeeld is de discussie over wanneer je moet stoppen met behandelen. Het doel van een oncologische behandeling is tweeledig: ten eerste het terugdringen van de ziekteverschijnselen om verbetering van de kwaliteit van leven te bereiken, en ten tweede het verlengen van de levensduur. Hoe pakt dat in de praktijk uit? Neem chemotherapie bij eierstokkanker, een ziekte die hier goed op reageert. Er komt echter altijd een moment dat de duur van de respons op de behandeling nog maar kort is. Dan komt het beslismoment: doen we nog een kuur of is het beter om te stoppen? Daarin heeft de patiënt meestal het laatste woord: waar de één terughoudend is, wil de ander tot het einde doorgaan. Daar moeten artsen zo goed mogelijk mee omgaan. Ze moeten hierbij altijd streven naar een zo goed mogelijke afsluiting van het leven voor de patiënt en zo weinig mogelijk schade veroorzaken bij doorbehandelen.

Opdracht

Als dokter heb je één opdracht: de beste zorg leveren voor deze ene patiënt op dit moment. Dat die mogelijkheden niet eindeloos zijn, maar juist beperkt, dat weet de patiënt ook. Ondanks alle medische en morele dilemma’s blijft het fascinerend om te zien dat je als medisch specialist mensen van wie je weet dat ze aan hun ziekte zullen overlijden, nog veel kunt bieden in de tijd tussen dat ‘weten’ en het uiteindelijke overlijden.

Ondertussen moet de arts een gesprek over het naderend einde niet uit de weg gaan. Een gesprek over de dood is niet gemakkelijk. Een patiënt kan er lang omheen draaien: zelfs iemand die weet dat het einde onvermijdelijk is, stelt een confronterend gesprek graag uit. Maar ook de arts begint er vaak niet over. Liever wacht hij of zij op een geschikt moment om erover te beginnen. Dat zich vervolgens niet aandient. Het blijft de uitdaging voor iedere arts die ongeneeslijk zieke patiënten behandelt om dat moment wel te nemen. Dát samenspel van momenten in déze voortdurende interactie met de patiënt is de reden waarom ik dokter wilde worden en wil blijven.

Reageer

Reacties